Op de wereld. Over toeval, Berlijn en een gedicht

OP DE WERELD. OVER TOEVAL, BERLIJN EN EEN GEDICHT

Ik schreef gisteren een gedicht. De aanleiding was de opvallend lege, heldere winterlucht (ja, ik weet het: officieel is het nog herfst), die me enerzijds voorkwam als een begin, een schone lei, en die ik tegelijk (omdat het zo’n grote lucht was, hoog en breed) verbond met wat zo mooi de toestand in de wereld heet.

Die toestand is, zoals bekend, zorgwekkend. De lucht, echter, was mooi. Misschien interesseert het de wereld wel helemaal niet, hoe haar toestand is. Maar mij interesseerde zowel de lucht als de wereld, en beide gaven me een gevoel van machteloosheid – een gevoel dat niet per se onaangenaam is.

Ik schreef het gedicht overdag. ’s Avonds kwam het nieuws van de vrachtwagen die in Berlijn op een drukke kerstmarkt was ingereden. Wel een schokkend, geen verbazend bericht, jammer genoeg. Ik dacht aan het gedicht, dat weliswaar over de lege lucht gaat, maar dat toch vol dood en doden zit, dat van brandhaarden spreekt en van verzet. Het is best een lang gedicht.

Vanochtend las ik het terug. Waar ik van schrok: de ‘weg naar de hoofdstad’ wordt erin genoemd. Dat zit zo: ik zag die bleekblauwe, winterse lucht op de A2, die nu eenmaal naar Amsterdam leidt. Maar nu is de hoofdstad ineens een andere geworden, namelijk Berlijn, en het hele gedicht verandert erdoor.

Dit heet toeval. Niet helemaal, want de (komt ie weer) toestand in de wereld sprak al een woordje mee in de tekst, maar dat er net die avond zoiets gebeurt, en zo nabij (dat maakt helaas verschil) en in een hoofdstad, dat is toeval.

Nu weet ik niet goed meer wat ik met het ding aanmoet. Het begon als een gedicht van twaalf regels (dat wil zeggen: na de eerste strofe van drie regels dacht ik dat het uiteindelijk 4×3 regels zou gaan tellen, een vorm die ik graag hanteer), maar liep al snel uit de hand. Daarna, toen het eigenlijk al af was, althans de eerste versie ervan, liep het nog verder uit de hand, door invloeden van buitenaf.

Ik zet het hier maar neer, nog altijd in die eerste versie:

OP DE WERELD

Op de glorieuze wereld staat
de glorieuze hemel, leeg en blauw.
Een blauw zo bleek, zo licht

dat het wel waar móet zijn:
dit is begin. Brandhaarden overal
zijn bagatellen, oprispingen van einde.

In ieders verzet schuilt verongelijktheid
en hoop. Het is niet goed zoals het is,
noch is er meer aan de hand dan ooit.

Op de grond de lucht.
Op de koude grond de winter,
waarmee het jaar begint.

Je zit naast me. We bewegen
zonder te bewegen. De lege weg.
De lege, rechte weg. De richting.

Het raam dat de lucht is met de witte vegen:
vingers van nieuwsgierige kinderen
of die werden buitengesloten.

Kleine vogels die zich te pletter vliegen,
door grotere achtervolgd of bang
voor niets, er is in dit land niets

om bang voor te zijn. Op de weg
naar de hoofdstad staat de hoge lucht.
De lucht is leeg, de lucht is begin.

Op het koude veld liggen lichamen,
inmiddels zwijgende lichamen.
Ze liggen op hun rug.

Ze kijken met dode ogen naar de hemel,
naar geen enkele ster
sterker dan het bleke blauw.

Zover de gedachten reiken
lijven op bevroren akkers,
zover de gedachten reiken

op de grond en in de grond de lijven
en de ogen, de handen die nog…, nee,
ze liggen stil naast de lichamen op het veld,

onder het veld, de mensen zijn een stapel
die is omgevallen. Op de grond
de lucht, de glorieuze lucht, rechtop.

De dode hond die leefde.
De dode vogel die vloog.
De dode wereld die niet dood was.

Vingers verschijnen aan de blanco hemel,
aan het begin, en wijzen
in elke oorlog winnaars aan.

Prijzen worden verdeeld, afval
wordt opgeruimd en hergebruikt
in een eindeloze reeks verhalen,

steeds de verhalen.
Op de glorieuze wereld
de glorieuze hemel.

De weg ligt in het midden.
De auto volgt de weg.
Jij zit links, ik zit rechts.

Naast ons en in ons en om ons en boven ons
en voor en achter ons de vele dieren
en de vele mensen en alles wat we vergaten.

Brandhaarden in de verre verte en om
de verre hoek. Het veld nog leeg.
Er siddert al, heel diep, een volgende oogst,

een lente. Blanco velden, blanco hemels,
blanco breinen, ieders dode ogen
kijken ieders dode luchten in,

en alles ademt.

Advertisements

2 Reacties op “Op de wereld. Over toeval, Berlijn en een gedicht

  1. Niet bijzonder geruststellend of troostrijk, althans geen kleine troost, maar wel erg mooi.

  2. Mooi. Lijkt idd geheel over Berlijn te gaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s