Stukkie 22: Toen we wel wonnen

TOEN WE WEL WONNEN

In juni 1988 was ik zeventien. Een paar jaar eerder had ik besloten dat het niet cool was (werd dat woord toen al gebruikt?) om van voetbal te houden. Mijn Panini-boek van het WK ’78 (ik had alle plaatjes) ging de prullenbak in. De officiële bal van datzelfde WK, de Tango, lange tijd mijn liefste bezit, verdween in de hoek. Ik liet mijn haar groeien, luisterde naar steeds luidruchtigere muziek en verkondigde aan wie het maar wilde horen dat voetbal louter plat vermaak was.

Toen kwam het EK in Duitsland.

Het begon mak, met een nederlaag tegen de Sovjet-Unie, maar daarna rolde Marco van Basten Engeland op. Marco van Basten, die op onze school had gezeten, nog maar een paar jaar daarvoor. De leraren vertelden keer op keer hoe de bij Ajax plotseling doorgebroken spits in de les verwoed zijn handtekening zat te oefenen, zodat hij die aan fans kon uitdelen.

Schoorvoetend liet ik toe dat ik weer geïnteresseerd raakte.

Mijn vader nam me mee naar de wedstrijd tegen Ierland. Ik keek mijn ogen uit. Het indrukwekkende Parkstadion in Gelsenkirchen, uitgegraven in de heuvels, waardoor het meer een onderdeel van het landschap leek dan een gebouw. De dronken vrolijkheid waarmee Nederlandse en Ierse supporters zonder problemen door elkaar liepen. De late, nogal fortuinlijke goal van Kieft. De terugreis, toeterende wagens, juichende mensen op de eerste viaducten na de grens.

De finale tegen de Sovjet-Unie keek ik met een paar klasgenoten in café De Vriendschap, op het Wed in Utrecht. Er heerste enige bezorgdheid, herinner ik me. Was het elftal met de overwinning op Duitsland in de halve finale misschien al tevreden? Hadden ze de eerste wedstrijd van het toernooi soms niet van deze zelfde tegenstander verloren?

We weten allemaal hoe het ging. De kopbal van Gullit, de volley van Van Basten, het vingertje van Van Breukelen. Geen probleem. Het café was vol, de televisie klein, het bier werd over de hoofden doorgegeven.

Daarna barstte de vreugde los, op een nooit eerder vertoonde schaal. Steeds gekker werd het. Niemand wilde achterblijven. En zoals heel Nederland nieuwe kanten aan zichzelf ontdekte, zo ook wij. Neigingen tot vandalisme hadden we nooit vertoond, op weinig keken we zo diep neer als op volksfeesten, uitbundigheid was ons vreemd. Tot nu.

Met mijn vrienden ging ik op zoek naar oranje attributen, want die hadden we nodig. Er werd in die tijd aan het Domplein gewerkt. Een van ons klom over het hek rond de bouwplaats en kwam terug met twee van de oranje zeilen die de bergen zand en stenen bedekten en met het oranje zwaailicht van het dak van een graafmachine.

We dronken ons bier uit het zwaailicht. Groter dan je denkt, zo’n ding: zes bier vormde maar een bodempje. De zeilen droegen we als veel te grote capes. (Later las ik in de krant dat niet ver van ons vandaan precies zo’n zeil was gebruikt om mensen mee te jonassen. Eén feestvierder was ernaast gevallen en had het niet overleefd. Niets van gemerkt.) We trokken in de drukte veel bekijks, vooral door het zwaailicht.

Die avond was er een enigszins ongelukkig getimed eindejaarsfeest op onze middelbare school. Ik herinner me van dat feest alleen dat we vreemd bekeken werden toen we aankwamen, grote oranje zeilen achter ons aanslepend en al niet helemaal helder meer.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s